|
Tweede fase (1990 - 2000)
In
december 2001 publiceerde NIRAS het rapport
SAFIR 2 dat de balans opmaakt
van het onderzoek uitgevoerd in de periode 1990-2000 inzake het beheer
op lange termijn van radioactief afval in diepe kleilagen. De belangrijkste
lessen die uit dit rapport getrokken kunnen worden, zijn de volgende:
| |
enerzijds
wordt het vertrouwen in klei als natuurlijke barrière versterkt;
|
| |
anderzijds
hebben de uitgevoerde werkzaamheden bewezen dat het mogelijk is een
bergingsinstallatie te bouwen op 200 tot 250 meter diepte in de Boomse
klei. |
Op basis hiervan heeft NIRAS kunnen concluderen dat de berging in een
weinig verharde kleilaag (zoals de Boomse klei) een mogelijke oplossing
blijft voor het beheer van radioactief afval op lange termijn. (Naar aanleiding
van de publicatie van het rapport
SAFIR 2
wordt het algemene concept van diepe berging momenteel herzien.) Op verzoek
van de Belgische regering werd het rapport SAFIR 2 geëvalueerd door
een comité van internationale deskundigen (Peer
Review). Dit comité heeft de kwaliteit van het werk
van NIRAS en haar partners erkend; het heeft eveneens geoordeeld dat NIRAS
haar onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma verder kan uitwerken.
Tot op de dag van vandaag beschouwt NIRAS de Boomse
klei (in de nucleaire zone van Mol-Dessel) als de referentiegastformatie
en de Ieperiaan-kleien (in de nucleaire zone van Doel) als alternatieve
gastformatie voor het onderzoek en de evaluatie van een diepebergingsoplossing.
De keuze van een bergingssite is vandaag dus nog niet aan de orde; daar
komen immers veel andere factoren bij kijken, zowel technische als maatschappelijke.
|