Radioactiviteit Samenwerking Informatiecentrum Radioactief afval NIRAS Afvalbeheer
 
 




Zoek Contact Site map Jargon Links Taalkeuze

Het einde van de zeeberging

Vanaf 1960 beslist België, in navolging van een aantal andere landen, zich van zijn afval van categorie A te ontdoen door het in zee te bergen. Hoewel de wetenschappers van oordeel zijn dat het gaat om een volkomen veilige oplossing en deze operaties worden uitgevoerd onder toezicht van het NEA (Nuclear Energy Agency) van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling), sluit België zich in 1983 vrijwillig aan bij het internationaal moratorium op de preventie van zeeverontreiniging (Conventie van Londen). De zeeberging van Belgisch radioactief afval loopt het jaar daarop ten einde.

NIRAS start meteen het nodige onderzoek om veilige en technisch uitvoerbare alternatieven op nationaal grondgebied te bepalen.

De eerste opdracht van NIRAS bestaat erin oplossingen te vinden die de bescherming van de Belgische bevolking op korte en middellange termijn garanderen. De instelling begint daarom met de bouw van verwerkings- en de conditioneringsinstallaties en van tijdelijke opslaggebouwen voor het afval van categorie A. Deze installaties en gebouwen zijn gecentraliseerd op de site van Belgoprocess, de industriële dochtermaatschappij van NIRAS in Mol-Dessel.

Eenmaal het korte- en middellangetermijn volkomen veilig en onder controle, buigt NIRAS zich over het probleem van het langetermijnbeheer van het afval van categorie A. Dit onderzoek, dat diverse ontwikkelingen heeft gekend die geboekstaafd staan in verschillende rapporten, is nog altijd aan de gang.


Het rapport van NIRAS van 1990: naar een oppervlakteberging

Tijdens de eerste jaren van het onderzoek maakt NIRAS een eerste selectie van zones die mogelijk in aanmerking komen voor de vestiging van een oppervlaktebergingsinstallatie voor het afval van categorie A. Dergelijke installaties bestaan op dat ogenblik reeds in het Verenigd Koninkrijk en in Frankrijk. NIRAS baseert zich op criteria vastgesteld door nationale en internationale instellingen om vijf zones te identificeren die gunstige geologische kenmerken vertonen.

Omdat ze geen enkele oplossing a priori wenst uit te sluiten, overweegt ze tevens twee alternatieven voor de oppervlakteberging:
de berging in diepe kleilagen;
het gebruik van oude steenkoolmijnen en/of steengroeven.

Het rapport NIROND 90-01, dat in 1990 verschijnt onder de titel "De berging van laagactief afval: balans en vooruitzichten", komt evenwel tot het besluit dat van de drie overwogen opties, de oppervlakteberging de meest veelbelovende is, zowel wat de technische uitvoerbaarheid als wat de veiligheid en de kostprijs betreft. De optie van de mijnen en steengroeven – met name de Limburgse mijnen – wordt definitief afgevoerd omdat het risico van besmetting van de kleihoudende lagen onmogelijk op afdoende wijze kan worden ingeschat. Het herinnert er ten slotte aan dat het onderzoek naar diepe berging in de Boomse klei verder moet worden ontwikkeld om zeker te zijn dat deze geologische formatie verenigbaar is met het beschouwde afval.

Het rapport van NIRAS van 1994: 98 mogelijke vestigingszones

Op basis van de besluiten van het rapport van 1990 en met instemming van haar voogdijminister, besluit NIRAS haar inspanningen te richten op de studie van de oppervlakteberging. Ze breidt haar eerste studie uit om nog meer mogelijke vestigingszones te identificeren. De resultaten van deze nieuwe studie zijn opgenomen in het rapport NIROND 94-04 met de titel "De oppervlakteberging, op Belgisch grondgebied, van laagactief en kortlevend radioactief afval: synthese en aanbevelingen". Dit rapport, dat in 1994 verschijnt, bevat een lijst van 98 mogelijk gunstige zones voor de vestiging van een oppervlaktebergingsinstallatie voor het afval van categorie A.

In haar evaluatie van het rapport van NIRAS, acht een commissie, samengesteld uit deskundigen van verschillende disciplines, dat oppervlakteberging technisch uitvoerbaar is op Belgisch grondgebied en dat ze een oplossing kan vormen voor ten minste 60% van het Belgisch afval van categorie A.

Het rapport van 1994 blijft niet onopgemerkt en stuit op een unanieme afwijzing van de betrokken gemeenten. Noch de politieke overheid noch NIRAS zelf hadden voldoende oog gehad voor de implicaties van een eventuele oppervlakteberging op het niveau van de instemming van de bevolking. De publicatie van het rapport NIROND 94-04, in april 1994, leidt dan ook tot een impasse.


Het rapport van NIRAS van 1997: twee alternatieven voor de oppervlakteberging

Om de gespannen gemoederen tengevolge van de publicatie van het rapport NIROND 94-04 te bedaren en uit de impasse te raken, belast de regering NIRAS met een studie om de alternatieven voor de oppervlakteberging te bepalen. NIRAS bepaalt er twee: de optie van de berging in diepgelegen kleilagen verschijnt opnieuw op de agenda en voor de eerste keer is er ook sprake van een eventuele opslag van lange duur, een optie die onder meer gekozen is door Nederland.

In het rapport NIROND 97-04 (Vergelijking van de diverse opties voor het langetermijnbeheer van laagactief en kortlevend afval: aspecten veiligheid en kostenverschillen) dat ze midden 1997 aan de federale overheid overhandigt, beveelt NIRAS de regering aan haar keuze te baseren op ethische overwegingen. In het rapport verdedigt ze de idee van de intergenerationele billijkheid, volgens dewelke de huidige generaties ervoor moeten zorgen dat de toekomstige generaties zich niet actief zullen moeten bezighouden met het beheer van het radioactieve afval dat ze hebben overgeërfd. NIRAS raadt de regering dus af te opteren voor een tijdelijke oplossing (zoals langdurige opslag), omdat dergelijke oplossing een beheer en een controle op lange termijn zou vereisen en er in dat geval later toch zou moeten worden overgestapt naar een definitieve oplossing. Een bergingsinstallatie daarentegen vereist na haar sluiting enkel toezicht gedurende hoogstens een paar honderden jaren. De berging van radioactief afval wordt overigens aanbevolen op internationaal vlak.



De beslissing van 16 januari 1998: een sleuteldatum in de geschiedenis van het dossier

Op 16 januari 1998 opteert de Ministerraad, overeenkomstig de aanbevelingen van NIRAS – met name inzake intergenerationele billijkheid – voor een definitieve oplossing, of een oplossing die definitief kan worden, voor het langetermijnbeheer van het afval van categorie A. De regering beslist dus af te zien van de optie van langdurige opslag en draagt NIRAS op haar onderzoek naar de berging – zowel oppervlakte- als diepe berging – voort te zetten en er op toe te zien dat deze beantwoordt aan een aantal specifieke eisen: naast het feit dat ze veilig, milieuvriendelijk en technisch uitvoerbaar dient te zijn, wenst de regering dat de berging een geleidelijke, soepele, omkeerbare en controleerbare oplossing zou zijn.

Tegelijkertijd ziet NIRAS haar onderzoeksterrein beperkt tot de vier bestaande nucleaire zones en tot de eventuele zones waar de plaatselijke overheid belangstelling toont. De vier bestaande nucleaire zones in België zijn:

  Doel en Tihange, dit zijn de twee zones waar de Belgische kerncentrales voor commercieel gebruik gevestigd zijn;
  Mol-Dessel waar onder meer Belgoprocess, de industriële dochtermaatschappij van NIRAS, het SCK·CEN (Studiecentrum voor Kernenergie) en andere nucleaire industrieën zoals FBFC International en Belgonucléaire gevestigd zijn;
  Fleurus-Farciennes waar het nationaal Instituut voor Radio-elementen (IRE) gevestigd is.

Aangezien de gemeenten Beveren (voor de nucleaire zone van Doel) en Huy (voor die van Tihange) op geen enkel moment belangstelling tonen voor de studies van NIRAS over de oppervlakteberging, concentreert de instelling zich in de praktijk op de sites van Mol-Dessel en Fleurus-Farciennes. De studies met betrekking tot de diepe berging blijven beperkt tot de Boomse kleilaag in de streek van Mol-Dessel.

Op 16 januari 1998 krijgt NIRAS nog een nieuwe opdracht: de regering belast de instelling met de ontwikkeling van een overlegmethodologie en van de nodige structuren om de bergingsprojecten te integreren op lokaal vlak. Om rekening te houden met deze nieuwe vereiste, beslist NIRAS haar werkprogramma voor het langetermijnbeheer van het afval van categorie A grondig te herzien. Het nieuwe programma stelt de maatschappelijke aspecten op de voorgrond.

Wilt u er meer over weten? Raadpleeg dan onze rubriek over de besluitvormingsproces voor het langetermijnbeheer van het afval van categorie A.


U vindt niet wat u zoekt? Stuur ons uw vragen en opmerkingen.