|
|||||||||
|
|
|||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||
|
Een oplossing
voor het langetermijnbeheer van radioactief afval moet de garantie bieden
dat de nucleaire erfenis die de toekomstige generaties krijgen veilig
is en volledig onder controle, zonder dat ze buitensporige technische
en financiële lasten te dragen hebben. Over dit doel bestaat zeer
grote instemming op internationaal vlak. De verschillende oplossingen
die door NIRAS bestudeerd worden om dit doel te bereiken, kunnen worden
samengebracht onder de noemer "berging". Vermits de veiligheid het hoofddoel is van het beheer van radioactief afval, moet de berging te allen tijde en in alle omstandigheden de bescherming van de mens en het leefmilieu tegen de door het afval uitgezonden straling garanderen. In een bergingsinstallatie wordt het radioactieve afval geïsoleerd van de mens en het leefmilieu zolang de straling niet vervallen is en een waarde heeft bereikt waarbij de site volkomen veilig kan worden hergebruikt. Voor het afval van categorie A moet de bergingsoplossing bijgevolg worden gecontroleerd gedurende een periode van 200 tot 300 jaar.
Om de veiligheid
tijdens deze controleperiode te waarborgen, moet de bergingsinstallatie
ontworpen zijn volgens het principe van de meervoudige veiligheidsfunctie.
Dit principe bestaat uit het gebruik van opeenvolgende en aanvullende
barrières die het radioactieve afval isoleren van de biosfeer.
Elke barrière heeft zijn eigen functie in het kader van de langetermijnveiligheid
van de bergingsinstallatie (ondoorlatendheid, retentie, strijd tegen
corrosie, oplossing, oplosbaarheid, diffusie, uitloging, enz.). De verschillende
barrières, die ofwel natuurlijk, ofwel kunstmatig zijn, moeten
dus elk op hun manier de radioactieve stoffen isoleren en de migratie
ervan op lange termijn vertragen. De
twee technische opties Om het afval van categorie A ten minste gedurende de controleperiode van 200 tot 300 jaar te isoleren van de mens en het leefmilieu, zou een bergingsinfrastructuur aan de oppervlakte of juist onder de oppervlakte ontworpen kunnen worden. Sinds de regeringsbeslissing van 16 december 1998, zijn de studies van NIRAS met betrekking tot de oppervlakteberging gericht op de nucleaire sites van Mol-Dessel en Fleurus-Farciennes. Elke bergingsinstallatie moet aangepast zijn aan de kenmerken van de ondergrond waarin ze zal worden gebouwd. Op de site van Mol-Dessel wordt bijgevolg een concept van oppervlakteberging bestudeerd, terwijl voor de site van Fleurus-Farciennes het concept van een halfingegraven bergingsinstallatie overwogen wordt. Het concept van Mol-Dessel
In dit concept is het principe van de meervoudige veiligheidsfunctie van toepassing. (1) Eerst worden de vaten met geconditioneerd radioactief afval in groepjes van vier in een betonnen caisson geplaatst (sommige afvalstoffen afkomstig van de ontmanteling van stilgelegde nucleaire installaties kunnen rechtstreeks in de caisson worden geplaatst). In de caisson wordt mortel gegoten om de lege ruimtes tussen de vaten op te vullen. De aldus verkregen monoliet biedt het voordeel dat het afval gemakkelijk kan worden vervoerd tot in de bergingsinstallatie en eventueel later kan worden gerecupereerd; hij vormt tevens een eerste barrière die het afval van de biosfeer isoleert. (2) De tweede barrière bestaat uit betonnen modules waarin de monolieten worden gestapeld. Tijdens de opvullingsfase worden deze modules bedekt om ze te beschermen tegen slechte weersomstandigheden. Daarna worden ze afgesloten door middel van een betonnen plaat. (3) De derde barrière bestaat uit een waterdichte, meerlagige deklaag van enkele meters dikte die op de betonnen modules wordt geplaatst. De gebruikte materialen zijn ofwel natuurlijk, ofwel kunstmatig. Het geheel wordt overdekt met een vegetatielaag waardoor de site zijn natuurlijk uitzicht behoudt. (4) De
bergingsinstallatie is voorzien van een draineringssysteem en galerijen
voor het controleren van het water die het mogelijk maken de goede werking
van de installatie permanent te verifiëren en, indien nodig, tussenbeide
te komen.
(1) Het afval wordt geïsoleerd van de mens en het leefmilieu door middel van monolieten (de betonnen caissons waarin de vaten geconditioneerd afval in groepjes van vier worden geplaatst en de mortel die eroverheen wordt gegoten). (2) Deze monolieten worden gestapeld door middel van een rolbrug in een cilindervormige betonnen silo (in plaats van rechthoekige modules). (3) De silo wordt ingesloten door een ondoorlatende wand die het afval isoleert van het water. Tijdens de opvullingsfase wordt de bergingsinstallatie overdekt om ze te beschermen tegen slechte weersomstandigheden. Daarna wordt ze afgesloten door middel van een betonnen plaat waarop een meerlagige waterdichte laag van enkele meters dikte wordt gelegd. Deze deklaag bestaat uit natuurlijke en kunstmatige materialen. Het geheel wordt overdekt met een vegetatielaag waardoor de site zijn natuurlijk uitzicht behoudt. (4) Onder
de silo komt een inspectiekelder van waaruit de goede werking van het
bergingssysteem permanent kan worden gecontroleerd en men, indien nodig,
tussenbeide kan komen. De ruimte tussen de silo en de ondoorlatende
wand vervult dezelfde functie.
In het concept van diepe berging is het principe van de meervoudige veiligheidsfunctie eveneens van toepassing.
De belangrijkste
barrière waarop de veiligheid van de bergingsinstallatie berust,
is de geologische laag waarin deze installatie zou kunnen worden gebouwd.
In België wordt een weinig verweerde kleilaag bestudeerd: de Boomse
Klei in het noordoosten van het land. Door zijn geringe doorlatendheid
en zijn grote retentiecapaciteit ten aanzien van de radionucleïden,
volstaat de Boomse Klei in zijn eentje om een hoog veiligheidsniveau
op korte en op lange termijn te garanderen.
|
|||||||||||||||||||||||||
|
|