
NIRAS werd opgericht vanuit de bekommernis
van de Belgische Staat om een veilig beheer te organiseren van het radioactieve
afval dat aanwezig is op Belgisch grondgebied, teneinde de Belgische bevolking
een doeltreffende bescherming tegen de mogelijke gevaren van dit afval
te garanderen. Om dit doel te bereiken, vervult NIRAS de volgende vier basisopdrachten: |
|
De opdracht van NIRAS werd uitgebreid
door de publicatie van de programmawet van 12 december 1997. NIRAS is
sindsdien belast met de inventaris van alle nucleaire installaties en
alle sites op Belgisch grondgebied die radioactieve stoffen bevatten.
De officiële wettelijke benaming van deze opdracht is "inventaris
van de nucleaire passiva". De inventaris van de nucleaire passiva is een opdracht van openbaar belang. Hij moet op lange termijn een beter beheer mogelijk maken om de veiligheid van de mens en het leefmilieu op ethische wijze te garanderen. |

Geleidelijk
rees er protest tegen het storten van laagradioactief afval in zee. In 1982 wordt door de Conventie van Londen een moratorium over deze praktijk afgekondigd. De gevolgen van deze beslissing worden op deze foto geïllustreerd: er bestond een zekere hoeveelheid laagradioactief afval waarvoor snel een veilige oplossing gevonden moest worden op eigen bodem, in afwachting dat een definitieve oplossing als alternatief voor de zeeberging in praktijk kan worden gebracht. Ook vandaag is er nog steeds geen langetermijnoplossing operationeel. De studies zijn nog steeds aan de gang. |

Voor de verwerking en de voorlopige opslag van afval doet NIRAS een
beroep op de diensten van een dochtermaatschappij, de NV Belgoprocess
in Mol-Dessel, en dat sinds 1986. Hier wordt radioactief afval verwerkt en voorlopig opgeslagen, in afwachting van een oplossing voor het beheer op lange termijn. |

NIRAS
heeft gezorgd voor de voorlopige opslag van Belgoprocess, haar onderneming-dochtermaatschappij.
De vaten worden in speciaal daartoe ontworpen opslaggebouwen bewaard. |

Van 1985 tot 1987 maakte NIRAS een eerste bibliografische selectie van zones die mogelijk geschikt waren voor de inplanting van een oppervlaktebergingsinstallatie voor afval van categorie A, op basis van de criteria van internationale instellingen zoals het IAEA en het NEA of van nationale instellingen zoals de Amerikaanse Nuclear Regulatory Commission (NRC). Ze stelde vijf zones met gunstige geologische kenmerken voor: de zones Chimay, Custine en Marche-en-Famenne in het zuiden van het land en de zones Alveringem en Kruibeke in het noorden van het land. In die tijd overwoog NIRAS evenwel twee alternatieven
voor de oppervlakteberging van afval van categorie A: het gebruik van
oude steenkoolmijnen of steengroeven en de diepe berging in een kleiformatie.
Het rapport NIROND 90–01, dat in 1990 werd gepubliceerd met als
titel De berging van laagactief afval: stand van
zaken en vooruitzichten, kwam echter tot het besluit dat van de
drie voorgestelde opties, de optie oppervlakteberging de gunstigste perspectieven
bood, zowel op het vlak van de technische uitvoerbaarheid als op het vlak
van de veiligheid en de kosten. Het rapport verwierp definitief de optie
mijnen of steengroeven — die in werkelijkheid maar een variant op
de diepe berging was — wegens het risico op besmetting van de watervoerende
lagen. Het rapport herinnerde er overigens aan dat de in Mol uitgevoerde
studies over de Boomse Klei de noodzaak hadden aangetoond van bijkomend
onderzoek naar de chemische verenigbaarheid van het afval met het gastgesteente.
Daarom besloot NIRAS, met de toestemming van haar voogdijminister (de
minister die bevoegd is voor energie), haar inspanningen toe te spitsen
op de studie van oppervlakteberging. (Frankrijk en Spanje hadden dezelfde
keuze gemaakt voor hun afval van categorie A en bouwden in die tijd respectievelijk
de bergingsinstallaties van Soulaines en El Cabril.) |

|

|

De regeringsverklaring van juni 1995
voorziet dat er “een definitieve keuze gemaakt moet worden inzake
de berging van laagactief afval met korte halveringstijd, op grond van
een onderzoek van verschillende mogelijkheden, en rekening houdend met
de veiligheid en de verschillen in kostprijs voor de verschillende opties”.
Er moet een vergelijkende studie gemaakt worden tussen de langdurige opslag
en berging. |

Om de regering in staat te stellen op gefundeerde wijze te kiezen tussen oppervlakteberging en diepe berging, heeft de Minister van Economie aan NIRAS gevraagd om : |
|

Zoals alle geïndustrialiseerde
landen heeft ook België zich sinds de start van de nucleaire ontwikkelingen
geconcentreerd op het onderzoek met betrekking tot de wetenschappelijke,
technische en economische vraagstukken die moesten en moeten worden opgelost.
Diezelfde inspanning werd tot voor kort nog niet geleverd op het vlak
van de meer maatschappelijke vraagstukken met betrekking tot het onderwerp.
In 1998 komt daarin een kentering : de benadering evolueert sindsdien van een technische, wetenschappelijke en economische aanpak naar een globale, geïntegreerde aanpak waarbij de bekommernissen, de bezorgdheden en de gevoelens van de bevolking centraal staan. |
|
Sinds 1998 is NIRAS zich
ervan bewust dat een goed langetermijnbeheer van radioactief afval vereist
dat de technische en maatschappelijke aspecten in symbiose worden behandeld.
|
|
De partnerschappen zijn
een voorbeeld van hoe een lokale leefgemeenschap zelf de nodige mechanismen
tot stand brengt om een oplossing te vinden voor het langetermijnbeheer
van het laagactieve en kortlevende afval, die aanvaard kan worden door
het merendeel van de bewoners. In Dessel, Mol, Fleurus en Farciennes hebben
bewoners samen met NIRAS een proces op gang gebracht waarbij de bevolking
actief betrokken is en deelneemt aan het besluitvormingsproces. Deze vrijwilligers
hebben het aangedurfd om technische informatie te plaatsen tegenover de
maatschappelijke betekenis ervan. Dit is een primeur voor België
; mijn complimenten hiervoor. |
|
Het nieuwe werkprogramma
van NIRAS stelt voortaan aan lagere overheden die dat wensen voor –
via representatieve lokale partnerschappen – werkelijk deel te nemen
aan het zoeken naar een oplossing voor het langetermijnbeheer van het
laagactief kortlevend afval. Het meest originele aspect van de nieuwe
benadering is ongetwijfeld de integratie van de definitieve berging in
een algemeen project, waarvan de netto impact op regionaal vlak positief
is. Een goed opgezet project creëert nieuwe vooruitzichten: in plaats
van een last voor de lokale gemeenschap te zijn zal de berging dan eerder
een belangrijk potentieel vormen, of dat nu op het economisch, culturele
of ecologisch vlak is. In dat gemeenschappelijk project biedt NIRAS haar
ervaring en expertise inzake het beheer van het radioactief afval: de
lokale partners van hun kant bieden hun kennis van de omstandigheden en
het dagelijks leven ter plaatse, en de manier waarop men de lokale gemeenschap
kan laten gedijen.
Inzake het beheer van radioactief afval is de vrijwillige
en actieve deelname van lokale gemeenschappen ongetwijfeld een innovatie.
Zij krijgen wel degelijk de mogelijkheid om deel te nemen aan de uitwerking
van het project en zijn geheel om er inderdaad invloed op uit te oefenen,
steeds binnen de perken van de veiligheidsvereisten op korte en lange
termijn. |
|
De Belgische benadering
van de lokale partnerschappen in het kader van de besluitvorming rond
de mogelijke berging van laagactief en kortlevend afval geniet ruime internationale
belangstelling. Zo wijdde het FSC
in november 2003 een vierdaagse workshop aan de partnerschapsmethodologie,
een concept op maat van de Belgische context. |
|

|

|

|

STOLA-Dessel overhandigt haar eindrapport
– na vijf jaar intensieve werking – aan het gemeentebestuur
van Dessel. In dit rapport komt STOLA-Dessel tot de conclusie dat het
voor de Desselse bevolking aanvaardbaar is dat het Belgische laagradioactieve
en kortlevende afval definitief geborgen wordt op Dessels grondgebied.
Tenminste, als er wordt ingegaan op de voorwaarden en verwachtingen die
leven bij de Desselaars. De voorstellen en voorwaarden die STOLA in haar
eindrapport stelt, vormen een geïntegreerd bergingsproject : de technische
én maatschappelijke voorwaarden vormen één geheel. |

Als alles volgens planning verloopt,
wordt verwacht dat het partnerschap MONA (Mol) eind januari 2005 z’n
bevindingen zal overmaken aan de gemeenteraad van Mol. Als PaLoFF, het
partnerschap in Fleurus en Farciennes, z’n werkzaamheden volgens
planning kan afwerken, wordt de overhandiging aan de gemeenteraden van
Fleurus en Farciennes verwacht in het eerste kwartaal van 2005. De beslissingen
van de respectievelijke gemeenteraden worden volgens dezelfde planning
verwacht later in het voorjaar 2005. |

Eens de gemeenten zich uitgesproken
hebben over de voorwaarden die zij stellen om een bergingsinstallatie
op hun grondgebied te aanvaarden, kan in de volgende fase van het besluitvormingsproces
de invulling van de lokale voorwaarden besproken worden met alle betrokken
actoren. Ook bij deze besprekingen vormt de lokale inspraak een kritische
succesfactor. Het is immers de uitdrukkelijke wens van alle betrokken
actoren om de lokale inspraak te bestendigen in het verdere verloop van
het dossier. |

Het Forum on Stakeholder
Confidence – FSC – werd opgericht door de “Radioactive
Waste Management Comittee” van het Agentschap voor Kernenergie van
de OESO met als voornaamste doelstelling de bevordering van het uitwisselen
van informatie rond het thema van publieke participatie. Om meer inzicht
te krijgen in de programma’s rond het beheer van afval in specifieke
landen en de methodes die er werden gebruikt voor interactie met de verschillende
belanghebbenden en -stellenden, wordt er jaarlijks in een bepaald land
een workshop gehouden. |

Een regeringsbeslissing ten gronde
houdt de toewijzing in van één geïntegreerd bergingsproject
aan één gemeente. Deze beslissing omvat het technisch bergingsconcept,
de maatschappelijke integratie van dit project, de lokatie en sluitende
afspraken voor de financieringsmodaliteiten. Daarna kan gestart worden
met het klaarmaken van het vergunningsdossier voor het gekozen bergingsproject.
Tal van vergunningen en een veiligheidsrapport zijn vereist vooraleer
gestart kan worden met de bouw van de bergingsinstallatie. Ten vroegste
in 2015-2020 kan een eventuele bergingsinstallatie operationeel worden.
De operationele fase t.t.z. de vulling van de bergingsinstallatie zal
ongeveer dertig jaar in beslag nemen. Daarna kan gestart worden met de
finale afdekking en sluiting van de bergingsinstallatie, gevolgd door
een controlefase van enkele honderden jaren. Nadien kan de bergingssite
worden vrijgegeven voor andere doeleinden. |

De gemeenteraad van Dessel keurt het
eindrapport van STOLA-Dessel – met algemeen akkoord – goed
in de zitting van 27 januari 2005. De beslissing van de gemeenteraden
van Mol, Fleurus & Farciennes worden volgens de huidige planning
verwacht in de loop van het jaar. |

MONA (Mols Overleg Nucleair Afval Categorie A), het partnerschap tussen de gemeente Mol en NIRAS, geeft na meer dan vier jaar intensieve werking een gunstig advies voor de berging van categorie A-afval, mits wordt voldaan aan alle door hem gestelde voorwaarden. MONA werd opgericht om samen met geïnteresseerde inwoners na te gaan of een berging van categorie A-afval in de gemeente Mol technisch haalbaar en maatschappelijk aanvaardbaar is. Om deze vraag te beantwoorden engageerden vertegenwoordigers van politieke partijen, sociale, culturele, economische organisaties en milieuverenigingen, maar ook individuele Mollenaars zich in werkgroepen. Deze werkgroepen bestudeerden, met de hulp van experts allerlei belangrijke facetten van het onderwerp. De conclusies van hun werking werden op 27 januari 2005 overhandigd aan het gemeentebestuur van Mol. Met het overhandigen van het rapport is het nu aan het gemeentebestuur van Mol om de gestelde voorwaarden te evalueren en te beslissen of de gemeente bereid is om de berging van laag- en middelactief kortlevend afval te aanvaarden, en zo ja, onder welke voorwaarden. Voor meer informatie: zie www.monavzw.be |

Als PaLoFF, het partnerschap in Fleurus en Farciennes, z'n werkzaamheden volgens planning afwerkt, wordt de overhandiging aan de gemeenteraden verwacht in het najaar 2005. |

Als alle betrokken partijen formeel
akkoord gaan met de voorwaarden van de gemeente(n) wordt de tot dan toe
voorwaardelijke kandidatuur een definitieve kandidatuur. |

In
wetenschappelijke kringen werd algemeen aangenomen dat het storten op
de zeebodem een veilige oplossing vormde voor verwerkt laagactief afval
dat bij de verschillende toepassingen van kernenergie en radioactiviteit
voortgebracht wordt. Dit afval werd eerst verwerkt, en vervolgens gestabiliseerd
en ingesloten in stalen vaten die dan op de bodem van de oceaan neergelaten
werden. Vanaf 1960 ontdoen verschillende landen in samenwerking, waaronder
België, zich op deze manier van hun radioactief afval. Dat gebeurt
onder toezicht van het Agentschap voor Kernenergie van de Organisatie
voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). |